Pinot Noir‘ (Frans), ook wel Spätburgunder (Duits), is een blauw druivenras met een compacte tros en druiven met een dunne schil. Het is daarom over het algemeen een druif die moeilijk te cultiveren is, want ze is gevoelig voor rot en schimmelziekten. Daarnaast heeft de ‘Pinot Noir’ de neiging tot mutatie, waardoor er verschillende klonen ‘Pinot Noir’ zijn ontstaan.

De oorsprong van de ‘Pinot Noir’ ligt in de Côte de Nuits in Bourgondië, waar hij al tweeduizend jaar wordt geteeld. Buiten Bourgondië blijkt het niet altijd eenvoudig om dit ras te verbouwen waardoor hij een veel geringere verspreiding kent dan bijvoorbeeld de ‘Cabernet Sauvignon’. Toch planten steeds meer wijnstreken deze druivenstok aan.

In Frankrijk wordt deze druif het meest aangeplant. Bourgondië is nog steeds het belangrijkste gebied, maar in de Champagne is de druif meer aangeplant. In de Elzas levert de ‘Pinot Noir’ een cépagewijn. Ook in Duitsland doet de druif het goed. Daar beslaat de druif 11,1% (2012) van de aanplant en dat is 14,3% van de wereldwijde aanplant. In Zwitserland is het de meest aangeplante druif. Ook in Noord-Italië komt de druif veel voor.